Geschiedenis zwemonderwijs

In Nederland hebben we kwalitatief goed zwemonderwijs en dat uit zich in een grote mate van zwemveiligheid. Doordat we in een waterrijk land wonen, is goed kunnen zwemmen dan ook erg belangrijk. Maar het Nederlandse zwemonderwijs is natuurlijk niet altijd zo goed geweest en is de loop der jaren dan ook sterk veranderd.

Zo is in de laatste jaren een zwem-ABC gekomen, zodat kinderen nog meer zwemvaardigheden leren beheersen en nog zwemveiliger worden. Maar de nadruk is vooral ook komen te liggen op het algehele zwemtraject, zodat kinderen kunnen profiteren van een levenlang zwemmen.

Dat het zwemonderwijs in de loop der jaren veranderd is, is wel duidelijk. Maar vroeger leerden mensen, om verschillende redenen, ook al zwemmen.

Het zwemonderwijs in de loop der jaren

Geschiedenis; Eeuwen geleden waren mensen al met zwemmen bezig. Waar we tegenwoordig vooral zwemmen om gezondheidsmotieven en als recreatievorm, zo deden onze voorgangers dit om andere redenen. De oudste verhalen over zwemmen komen uit Egypte, waar men duizenden jaren geleden al met deze bewegingsvorm bezig was. Een belangrijke reden om te leren zwemen, was dan ook om voedsel te vergaren of om tijdens een oorlog te kunnen vluchten door het water.

Later werd zwemmen bij ontwikkelde mensen een deel van de opvoeding . De Grieken en Romeinen maakte gebruik van de heilzame werking van water en bouwden hier grote badhuizen voor. Maar het ontspannen werd ook afgewisseld met inspanning. Zwemmen werd een vorm van lichaamsbeweging en verbeterde de gezondheid in grote mate.

Het oudste manuscript over leren zwemmen dateert uit de 16e eeuw. Dit boek was zo populair dat er meerdere malen een nieuwe druk is verschenen. Later kwamen er nieuwe boeken bij en werd zwemmen steeds belangrijker. Zo zijn er verhalen over het leger van Napoleon dat leerde zwemmen in militaire zwemscholen, om vijanden bij waterrijke plekken aan te vallen. Dat zwemmende soldaten in het voordeel waren mogen duidelijk zijn.

Vanaf de 19e eeuw

Wanneer het warm is, gaan mensen op zoek naar verkoeling in meren, grachten en de zee. Ook vroeger was dit het geval, maar had buiten zwemmen meer nadelen. Want het afkoelen gebeurde vaak op vervuilde plekken, wat de gezondheid niet ten goede kwam. Er was dus behoefte aan meer regulering van zwemplekken.

Zo ontstonden er aan het begin van de 19e eeuw stukken afgezet zwemwater, waar men (enigszins) op een ‘schone manier’ kon zwemmen. Naast dat mensen hier konden afkoelen, werd er ook steeds meer aan zwemonderwijs gedacht. Er werden (vaak kleine) zwemscholen geopend, waar kinderen, adolescenten en militairen leerden zwemmen. Vaak werd de zwemmer vastgemaakt aan een hengel en werd de zwemkunst onderwezen vanuit een boot.

In de 2e helft van de 19e eeuw wordt zwemmen nog belangrijker. Vooral mannen uit goede families raken steeds meer overtuigd van de heilzame werking van water en de positieve effecten op de gezondheid. Omdat zwemmen steeds meer werd aanbevolen, werd de vraag naar zweminrichtingen natuurlijk ook groter. Maar omdat veel zwemplekken in de buitenlucht worden aangelegd, kon er vaak alleen in de zomermaanden worden gezwommen. Om toch aan de stijgende vraag te voldoen, wordt in 1883 het eerste overdekte zwembad in Den Haag geopend. Men kon hier niet alleen zwemmen, maar ook gebruik maken van de talloze badkuipen en stoombaden. Pas 13 jaar later kwam er ook in Amsterdam een overdekt zwembad bij.

Professioneel zwemonderwijs

Ook het professionele zwemonderwijs kwam aan het einde van de 19e eeuw tot ontwikkeling. Zo wordt in het jaar 1888, door een aantal zwemverenigingen, de Nederlandse Zwembond (NZB) opgericht. Later krijgt deze bond het predikaat ‘koninklijk’ en mag zich vanaf dan de KNZB noemen. Een naam die we tegenwoordig ook nog kennen vanuit het elementair- en wedstrijdzwemmen, maar ook bij verschillende zwemsporten als waterpolo en schoonspringen. Om de kwaliteit van de zwemmers te testen, komt er steeds meer behoeft aan richtlijnen. Binnen het zwemonderwijs wordt er door de NZB een diploma ontwikkeld die de kwaliteiten van de zwemmer toets. Bij het behalen van de eisen, kreeg de zwemmer het eerste zwemdiploma en was nu een ‘geoefende zwemmer’. Ook het beroep van zwemonderwijzer werd steeds professioneler. Het diploma ‘1e klas zwemmeester’ wordt aan het einde van de 19e eeuw voor het eerst uitgereikt.

Ondanks een Zwembond, professionele zwemmeester’s en de nieuwe zwembaden, werd er nog niet veel gezwommen. De prijs van een zwemkaartje was vaak erg duur en veel mensen konden dit niet betalen. Pas in het begin van de 20e eeuw werd het zwempubliek een stuk jonger. Het schoolzwemmen kwam steeds meer tot ontwikkeling en werd door de overheid gepromoot. Kinderen konden hierdoor tegen een gereduceerd tarief gaan zwemmen en hun zwemvaardigheden verbeteren.

De eerste grote zwembadexploitant, Sportfondsen Nederland, opende in 1929 haar deuren en biedt tegenwoordig nog steeds kwalitatief goed zwemonderwijs aan.  Met hulp van de gemeente en door stortingen van leden van de zwemverenigingen, wist Sportfondsen in de jaren hierna tientallen zwembaden te openen. Later volgde ook andere exploitanten en werden er extra zwembaden geopend.

Invoering van het Zwem-ABC

Na jaren van ontwikkeling binnen het zwemonderwijs, was er behoefte aan een nieuwe diplomastructuur. De ontevredenheid over de oude zwemdiploma’s leiden er toe dat in 1998 het Zwem-ABC werd ingevoerd. Hierbij was de prioriteit dat er binnen het zwemonderwijs systematisch wordt gewerkt aan de zwemveiligheid en de introductie tot vrijetijdsbesteding. Door via een logische opbouw te gaan werken aan een 8-tal basiselementen (zoals voortbewegen, ademhaling, drijven etc.), zorgt het Zwem-ABC dat kinderen nog zwemveiliger worden en tegelijkertijd kennismaken met een levenlang bewegen in het water.

Tegenwoordig wordt er binnen het zwemonderwijs nog steeds gewerkt met het Zwem-ABC.